T-kaarten bij rolkaarten

T-kaarten bij rolkaarten coöperatieve werkvormen

Voordat je begint met het inzetten van rolkaarten bespreek je met je groep welk gedrag bij een rol hoort. De T-kaart kan daarbij helpen. Het heet T-kaart, omdat het de vorm heeft van een T. Aan de ene kant van de T schrijf je het gedrag dat je ziet en aan de andere kant van de T schrijf je wat je hoort. In lagere groepen zou je een oog en een oor kunnen tekenen.

De T-kaart maakt het gedrag dat bij een rol hoort duidelijk en hierdoor weten leerlingen wat er van ze verwacht wordt. Als leerlingen weten wat er verwacht wordt, kunnen ze hun eigen gedrag aansturen in die richting. En het stelt jou in staat om complimenten te geven; je weet namelijk wanneer het goed is en dat weten de leerlingen in je groep ook. Ook zij kunnen elkaar complimenten geven tijdens het bespreken van de samenwerking.

Voorbeeld: Je stelt je groep de vraag: Hoe doet een materiaalbaas? En wat zegt een materiaalbaas? Vervolgens  probeer je samen met je groep het gedrag zo te formuleren dat leerlingen het gedrag echt zo kunnen nadoen (meetbaar). Een voorbeeld van een ingevulde T-kaart voor de materiaalbaas is:

Wat je ziet:

  • loopt rustig van zijn groep naar de kast
  • pakt de spullen rustig op
  • legt de spullen op dezelfde plek terug
  • loopt nog een keer als je het niet in één keer kunt tellenWat je hoort:
  • vraagt: Wat hebben we nodig?
  • zegt: Ik ga het halen.
  • vraagt: Help je mee met opruimen?
  • zegt: Ik breng het weg als het netjes in het midden van onze tafel ligt.

Je kunt, als je net begint met rolkaarten, ook de T-kaarten uitdelen in plaats van de rolkaart. Dan kunnen leerlingen nog even nalezen wat er van ze verwacht wordt.